Christoffel Plantijn, een wereldvermaarde uitgever

Door Dirk Imhof voor De Boekenwereld

Na zijn overlijden in 1589 lieten Christoffel Plantijns erfgenamen als grafschrift onder zijn naam plaatsen: ‘Aan Christoffel Plantijn […] door wiens werk en ijver geleerde oude en nieuwe schrijvers in welke discipline en taal dan ook op een aantrekkelijke wijze werden uitgegeven’. Dit vat het nalatenschap van Plantijn mooi samen.

Na zijn overlijden in 1589 lieten Christoffel Plantijns erfgenamen als grafschrift onder zijn naam plaatsen: “Aan Christoffel Plantijn […] door wiens werk en ijver geleerde oude en nieuwe schrijvers in welke discipline en taal dan ook op een aantrekkelijke wijze werden uitgegeven”.  Dit vat kernachtig samen welke uitgaven Plantijn op de markt bracht, al vermeldt het niet de overweldigende hoeveelheid edities die hij realiseerde.

Christoffel Plantijn. Portret door Peter Paul Rubens.

In heel Europa genoot Plantijn van een ijzersterke reputatie als uitgever. Veel had hij daarbij te danken aan de Biblia Regia. Deze bijbeluitgave in acht volumes met  de tekst van de bijbel in vijf talen, gedrukt op kosten van de Spaanse koning Filips II, was zijn onbetwiste meesterwerk dat zijn naam overal bekend maakte. Maar hij had meer dan alleen deze ene editie op zijn palmares. Vaak werd hij, met Aldus en Paulus Manutius en Robert en Henri Estienne, gerekend tot de belangrijke uitgevers van de zestiende eeuw. Volgens sommigen waren dit uitgevers met een hoger doel voor ogen, ten bate van de wereld van de geleerden en geletterden, terwijl commerciële motieven op het tweede plan kwamen. In deze idealistische visie noemde bijvoorbeeld de Franse letterkundige Jean Chapelain de Elzeviers op winst beluste schurken die niets meer waren dan handelaars in inkt en papier, terwijl de Estiennes, Manutius en Plantijn buiten die categorie vielen.  Wat was het dan dat Plantijn deze reputatie bezorgde? 

 

Kwantiteit en diversiteit

Wat onmiddellijk in het oog springt, is het groot aantal edities dat Plantijn uitgaf. In 1555 drukte hij zijn eerste kleine boekje, voor rekening van de Antwerpse uitgever Joannes Bellerus, L'institution d’une fille de noble maison van de Italiaanse auteur Giovanni Michele Bruto.  Het laatste boek dat van de persen kwam vóór Plantijns overlijden op 1 juli 1589, was Caesar Baronius’ Martyrologium Romanum, waarvan het drukken voltooid was in het midden van juni 1589. Tussen deze twee uitgaven publiceerde hij in de loop van die 34 jaar bijna 2.000 edities, een gemiddelde van meer dan 50 per jaar. Al bestaan sommige publicaties uit niet meer dan één plano, terwijl andere duizenden pagina’s tellen, het aantal is verbazend. Daardoor is het overwicht van Plantijn in catalogi van edities uit de Nederlanden in de zestiende eeuw in elk geval overweldigend.

Catalogus van Plantijns edities (1580)

 

Plantijns uitgaven bestrijken een brede waaier aan onderwerpen. Zoals voor de meeste uitgevers van zijn tijd was het aandeel religieuze edities het grootst. Een derde van Plantijns productie zijn bijbeledities en uitgaven van kerkvaders, liturgische werken en gebedenboeken, en allerlei theologische en devotionele werken. Door de grote vraag waren deze uitgaven erg winstgevend. Dat gold eveneens voor de edities van klassieke auteurs, woordenboeken en spraakkunsten. De verkoop van een groot aantal exemplaren was minder vanzelfsprekend voor edities over wetenschappelijke onderwerpen en aardrijkskunde, maar met een tweehonderdtal drukken publiceerde Plantijn een aanzienlijk aantal, waaronder enkele invloedrijke werken over plantkunde en cartografie. Alleen in de eerste jaren van zijn uitgeversloopbaan gaf Plantijn ook enkele literaire werken uit (meestal nadrukken van eerdere Franse edities), maar na 1560 verdwenen die bijna volledig uit zijn fonds.

Niet alleen bestreek Plantijns uitgeversfonds een ruim aantal onderwerpen, zijn edities verschenen eveneens in een grote verscheidenheid van talen. Plantijn drukte werken in het Latijn, Grieks en Hebreeuws, maar ook in het Syrisch en Aramees. Van de moderne talen zijn er uitgaven in het Frans, Nederlands, Spaans, Italiaans en een paar edities in het Duits. Engels ontbreekt, op een index na in de plantenatlas van Mathias Lobelius. Hoewel een belangrijk aantal van zijn drukken in het Nederlands verschenen, stond Plantijn eigenlijk terughoudend tegenover de uitgave van werken in deze taal. Hij schreef dat hij concurrentie met andere Antwerpse uitgevers op dit terrein wilde vermijden en dat hij alleen instemde met een dergelijke uitgave als het niet anders kon. 

 

Kwaliteit

Plantijn dankte zijn beroemdheid niet in de eerste plaats aan het groot aantal van zijn edities, maar veel meer aan de inhoudelijke en vormelijke kwaliteit van zijn drukwerk. Hij had zijn drukkerij in de loop der jaren uitgebouwd tot een van de best voorziene op het gebied van typografisch materiaal. In een brief aan de secretaris van de Spaanse koning, Gabriel de Çayas schreef hij in 1581: “Ik durf te stellen dat zij [de drukkerij] de grootst en best voorziene is, niet alleen van alle soorten stempels en matrijzen, letters en alle andere zaken die nuttig en noodzakelijk zijn voor een onafhankelijke drukkerij, maar ook van alle soorten illustratiemateriaal en ornamenten, die er in  gans Europa ooit geweest is en die er evenmin op het ogenblik kan worden gevonden”.  Zijn verzameling stempels en matrijzen, waarmee hij steeds de beschikking had over het vereiste lettermateriaal, had hij al vroeg in zijn loopbaan bij elkaar gebracht. De voorbereiding voor het drukken van zijn Biblia Regia speelde daarin een grote rol. In 1566 schreef hij aan dezelfde Gabriel de Çayas dat hij er prat op ging dat hij een van de beste collecties stempels en matrijzen had verzameld: “Ik denk daarom dat er in gans Europa geen verzameling is van zoveel mooie en goede letters zoals veel van de belangrijkste drukkers en kenners op dit gebied uit Frankrijk, het Duitse Rijk en Italië hebben geschreven”.  Dankzij zijn uitgebreide collectie lettermateriaal kon hij drukken in diverse talen, in gotisch en romein, cursief of civilité, alles in verschillende puntgroottes. De Index sive specimen characterum Christophori Plantini, die hij in 1567 drukte, bevat in totaal voorbeelden van 45 lettertypes, gesneden door de beste letterontwerpers van zijn tijd, onder wie Robert Granjon, Claude Garamont en Pierre Haultin.

Titelpagina van Index sive specimen characterum Christophori Plantini (1567)

 

Ook al heeft een uitgever een perfecte drukkerij, het drukwerk moet ook juist worden uitgevoerd. De teksten correct drukken met een minimum aan drukfouten was een zaak waar Plantijn bijzondere aandacht voor had. Auteurs kozen voor de Plantijnse drukkerij boven die van Parijs omdat ze erop vertrouwden dat Plantijn de grootste zorg besteedde aan de correctheid van hun teksten. Dat blijkt onder meer uit een brief van de Engelse theoloog Thomas Stapleton, geschreven kort na Plantijns overlijden:

“Vóór alles was het mijn wens dit werk bij u te laten drukken, niet alleen omdat u de meest verfijnde letters hebt en u meestal het meest uitgelezen papier gebruikt, maar ook omdat voor zover ik heb kunnen zien de Latijnse werken veel juister in uw drukkerij gedrukt worden dan in Parijs”. 

Plantijns edities sprongen misschien nog het meest van al in het oog door de kwaliteit van de illustraties. Zoals elders in Europa meestal het geval was, gebruikte hij tot in het midden van de jaren 1560 houtsneden om zijn boeken te illustreren. In 1566 verscheen Plantijns eerste editie geïllustreerd met 42 gravures, het anatomisch werk Vivae imagines van de Spaanse arts Juan Valverda. In de jaren daarop volgden steeds meer edities die met gravures geïllustreerd waren. Het gebruik van gravure en ets, die illustraties leveren van een superieure kwaliteit, was weliswaar al veel langer als techniek voor boekillustratie bekend, maar was tot dan toe beperkt gebleven tot eenmalige projecten. Plantijn was de eerste die gravures op een grote schaal als boekillustratie gebruikte en ze toepaste in edities van verschillende onderwerpen. Getijdenboeken en embleemboeken met tientallen verfijnde gravures van de hand van Hieronymus Wierix, Peeter Huys of Jan Sadeler, om maar enkele kunstenaars te noemen, imponeerden vele klanten. Plantijn zorgde daardoor voor luxueuze uitgaven die in de smaak vielen van liefhebbers van mooie boeken die er een hoge prijs voor over hadden. Hij zorgde aldus voor een doorbraak van gravure en ets als middel voor boekillustratie in de zestiende eeuw. 

Diversificatie

Door deze verschillende factoren vergrootte de faam van Plantijns bedrijf en werd zijn naam op de titelpagina van zijn boeken synoniem van goede kwaliteit. Plantijn getuigde van een slim inzicht als uitgever door niet alles in te zetten op deze duurdere edities voor een kapitaalkrachtiger publiek, maar hij verdeelde eenzelfde editie in goedkopere en duurdere versies zodat hij verschillende markten kon bereiken. Een mooi voorbeeld hiervan is de editie van het getijdenboek van 1573.  Dezelfde tekst was beschikbaar in drie verschillende versies: 1) geïllustreerd met gravures en met gegraveerde kaders rond elke pagina; 2) geïllustreerd met gravures en houtsnede-kaders; en 3) geïllustreerd met houtsneden en met houtsnede-kaders. De standaard verkoopprijs van de eerste versie was 8 gulden, die van de tweede 2 en van de derde 1 gulden. Het prijsverschil tussen edities geïllustreerd met houtsneden of met gravures kon dus hoog oplopen, zeker in het geval van een groot aantal illustraties. Vanaf 1570 waren Plantijns missalen, brevieren, diurnalen en andere liturgische werken steeds in minstens twee versies verkrijgbaar. Terwijl het aantal exemplaren van een editie dat met gravures geïllustreerd was, aanvankelijk een kleine minderheid was, nam dit aandeel in de loop van de jaren stelselmatig toe. Dezelfde diversificatie tussen gravures en houtsneden voor eenzelfde editie paste Plantijn ook toe voor niet-liturgische werken zoals voor het Manuale catholicorum van Petrus Canisius, een populair gebedenboek. Begonnen met een Latijnse editie in 1588 in 16°, gaf Plantijn het jaar erop ook een kleinere (en goedkopere) editie in 24° uit, samen met edities in het Nederlands en Frans in duodecimo. Elke editie was beschikbaar met gravures (of etsen) of houtsneden waarbij de verkoopprijs varieerde van 3 tot 10 stuivers. Zo kon Plantijn dit werk aanbieden aan verschillende groepen lezers.

Diversificatie van zijn edities past Plantijn ook op een andere manier toe. Voor zijn bijbeledities vanaf 1565, zowel die in het Latijn, Hebreeuws, Grieks, Nederlands als Frans, liet hij de tekst telkens maar één keer zetten. Na een kleine manipulatie kon hetzelfde zetsel van één formaat (bv. van een octavo) ook gebruikt worden voor een kleinere editie in 16° of 24°. Op die manier had Plantijn zeer snel edities klaar van één tekst in verschillende formaten en domineerde hij in korte tijd de volledige markt.

 

Gevoel voor succes

Ook in de zestiende eeuw moest een uitgever een goede neus hebben voor edities die hij goed kon verkopen. Hierin blonk Plantijn echt uit. Toen Jan van der Loe, de vaste uitgever van Rembert Dodoens, in 1563 overleed, greep Plantijn zijn kans om deze succesvolle plantkundige onder de arm te nemen. Hij nam bovendien het risico om tientallen nieuwe houtblokken voor Dodoens’ werken te laten maken. Het bleek een uitstekende keuze, zodat hij deze investering ook voortzette voor nieuwe werken van Dodoens en de botanische werken van Carolus Clusius en Mathias Lobelius. De collectie plantkundige houtblokken die in de werken van deze drie botanici gebruikt werden, breidde uit tot 2.690 stuks waardoor de uitgeverij grote faam verwierf met botanische uitgaven. Zijn beslissing om in 1566 in het werk van Dodoens te investeren had dus zijn vruchten afgeworpen.

De Vlucht naar Egypte met gegraveerde kaders in Officium beatae Mariae Virginis (1573)

Een ander voorbeeld van Plantijns methode om oudere edities in een nieuw kleedje te steken was zijn nieuwe uitgave van de beschrijving van de Nederlanden door de Italiaanse koopman Ludovico Guicciardini. Die was in 1567 voor het eerst verschenen bij Willem Silvius in het Italiaans en Frans (Descrittione (...) di tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania inferiore) met een groot aantal houtsneden met kaarten en stadsplattegronden. Aan het einde van jaren zeventig besloot Plantijn dit werk ook te drukken, maar hij liet alle houtsneden vervangen door gravures en etsen. Deze grote investering had als resultaat dat het boek voor een veel hogere prijs verkocht werd (140 stuivers) dan een exemplaar van de Silviuseditie (30 stuivers). Dit grote prijsverschil was ook het geval geweest bij de Dodoensedities: terwijl een kruidboek van Van der Loe 40 of 44 stuivers had gekost in de jaren zestig, bedroeg de verkoopprijs van Dodoens’ Stirpium historiae pemptades sex, verschenen bij Plantijn in 1583, 120 stuivers, driemaal zoveel. Ondanks die hogere prijzen wist Plantijn toch telkens van deze edities een succes te maken dankzij hogere kwaliteit van zijn uitgaven.

Plantijn had onmiskenbaar een uitstekend oog voor beloftevolle auteurs én voor teksten waar een markt voor was. Met iemand als Justus Lipsius trof hij de roos. Hij bood de filoloog al vroeg zijn diensten als uitgever aan. Lipsius had zijn eerste werk, de Variarum lectionum libri IIII, een reeks filologische kwesties over klassieke teksten, geschreven toen hij amper 19 was. Plantijn publiceerde het werk in 1569. Veel andere werken volgden en Lipsius werd de sterauteur van de Plantijnse drukkerij. Niet alleen voor nieuwe auteurs, maar ook voor andere soorten teksten wist Plantijn waar hij een goede verkoop kon verwachten. Zijn eerste reeks klassieken in sedecimo (16°) was een vaste waarde in zijn fonds. Dank zij de hulp van zijn “huisfiloloog” Theodorus Pulmannus verschenen een groot aantal klassieke auteurs in relatief goedkope edities die des te meer aanspraken door hun begeleidende aantekeningen en opgave van tekstvarianten. Plantijn was er trots op dat wat hij publiceerde, nog niet eerder elders was uitgegeven en zelfs met de uitgaven van klassieke auteurs liet hij de tekst eerst door een letterkundige voorbereiden, liever dan een editie na te volgen die door een concurrent was gepubliceerd.  Aan het einde van zijn carrière startte Plantijn een andere reeks uitgaven van klassieke auteurs in een nog kleinere vigesimoquarto (24°) die met succes door zijn opvolgers in Leiden werd voortgezet in de jaren negentig.

Houtsneden met narcissen met de hand ingekleurd in Dodoens' Stirpium historiae pemptades sex (1583)

 

Een bijzondere persoonlijkheid

Plantijn dankte het succes van zijn uitgeverij aan een reeks bijzondere eigenschappen, Hij beschikte over een uitstekend organisatietalent en kon zich telkens snel aanpassen aan veranderende omstandigheden (wat in de woelige zestiende eeuw voortdurend gebeurde). Met al zijn werkkracht en volharding plande hij belangrijke uitgaven lang op voorhand zodat hij al het nodige materiaal bij elkaar had wanneer het werk kon beginnen. Voor de realisatie van de Biblia Regia is het fascinerend te zien hoeveel jaren van tevoren hij het vereiste lettermateriaal aankocht en geleerden om zich heen verzamelde die aan het project konden meewerken. Hij liet hen in zijn huis logeren of beloonde hen op een andere manier. Hij ging zover dat hij zelfs zijn eigen dochter uithuwelijkte aan Franciscus Raphelengius omdat die onmisbaar was bij het nalezen van alle drukproeven van de bijbel. Zijn eigen eindeloze toewijding en inzicht leidde tot de bewonderingswaardige resultaten van al het drukwerk dat hij realiseerde. Hierbij vergat hij nooit te zorgen voor de nodige ruggensteun  Wie invloed kon uitoefenen bij het toekennen van de goedkeuring van een tekst (de approbatie) en privileges of wie hulp kon bieden bij de totstandkoming van een editie, kon regelmatig genieten van geschenken of andere gunsten. Omdat bijvoorbeeld kardinaal Granvelle veel invloed had in Rome en dienstig was in het verkrijgen van licenties voor liturgische werken, ging Plantijn ook in op zijn wensen om bepaalde werken uit te geven die misschien niet altijd gelegen kwamen in zijn eigen planning. Eveneens konden de Leuvense theologen die voor de nodige approbaties van zijn teksten moesten zorgen, geregeld rekenen op gratis exemplaren van boeken of, wat misschien nog meer in de smaak viel, een kaas uit de Auvergne. Plantijn beschikte eveneens over kapitaalkrachtige vrienden die hem regelmatig geld leenden. Ook al kloeg hij steevast steen en been over het gebrek aan geld, toch kon hij op cruciale momenten rekenen op financiers als Luis Peres, Fernando Ximenes of Karel van Bomberghen om hem uit de nood te helpen. 

Plantijn heeft dit succes uiteraard niet alleen tot stand gebracht. Achter hem stonden een hele reeks werknemers uit zijn bedrijf zonder wie hij al dit werk niet kon uitvoeren. Zeker zijn schoonzonen, Jan Moretus en Franciscus Raphelengius, waren onontbeerlijke steunpilaren die het bedrijf, zeker tijdens Plantijns talrijke afwezigheden, draaiende hielden. Na Plantijns overlijden waren zij het die zijn werk nog vele jaren erna voortzetten, de ene in Antwerpen, de andere in Leiden, zodat Plantijns werk niet verloren ging. Terecht schreef Joannes Bochius in het herdenkingsboek dat verscheen na Plantijns overlijden:

“Ite libri, cunctaeque simul sordescite chartae,
Quae non haec prima nomina fronte gerant:
Christophorus toto Plantinus cognitus orbe,
Excudit propriis hoc opus ille typis”

Museum Plantin-Moretus
Unesco werelderfgoed

Meld je aan voor onze nieuwsbrief