400 jaar bouwgeschiedenis

Het huis en de werkplaats van Christophe Plantin wisselde in meer dan 400 jaar meerdere keren van gedaante. Ontdek hier de metamorfose van de Officina Plantiniana naar het Museum Plantin-Moretus.

Vóór Plantin zijn bedrijf overbracht naar de Vrijdagmarkt, werkte hij in andere huizen en panden (circa 1548-1576).

De bouwgeschiedenis van de Officina Plantiniana op de Vrijdagmarkt loopt over drie eeuwen (1576-1876). Het gebouw evolueerde ook na 1876 verder, wanneer het als museum werd ingericht.

 

Eerdere huizen en panden

  • Periode 1548-1576: eerste gebouwen van de Officina Plantiniana
     
  • 1548-1549: Plantin woont en werkt als boekbinder in de Lombardenvest. Dat ligt in het stadskwartier waarin zich vooral boekdrukkers en boekhandelaars vestigen.
     
  • 1552: Plantin verhuist naar de Twaalfmaandenstraat en installeert daar zijn eerste drukpers. Het eerste werk dat hij drukt en uitgeeft in 1555 is ‘La Institutione di una fanciulla nata nobilmente’.
     
  • 1557: Plantijn installeert zich in de Kammenstraat, het drukkerskwartier. Hij vestigt zich in het huis ‘De Gulden Eenhoorn’. In 1558 drukt hij er 25 boeken.
     
  • 1560: op de vroegere gronden van de brouwerij ‘De Witte Valck’ rond de Kammenstraat worden nieuwe straten geopend, o.a. de Bergstraat en de Valkstraat – nu Gierstraat. In deze nieuwe verkaveling komt ook Plantijns drukkersbedrijf.
     
  • 1562-1563: Plantin vlucht naar Parijs. Zijn hele bezit wordt verkocht op de Vrijdagmarkt, maar met steun van vennoten kan hij in september 1563 zijn bedrijvigheid hervatten in de Kammenstraat.
     
  • 1564-1565: Plantijns bedrijf is succesvol en hij huurt nog drie andere huizen in de Kammenstraat. Vanaf 1561 verandert de naam van zijn bedrijf in ‘De Gulden Passer’. In de bedrijfsruimten wordt het aantal persen opgevoerd, tot zes in 1565 en tot zeven in 1566. Vanaf dan groeit Plantijns bedrijf steeds verder uit.
     
  • 1568-1573: het bedrijf van Plantin barst uit zijn voegen. De drukkerij breidt uit tot zeven huizen in de buurt van de Kammenstraat. Hierin drukt hij tussen 1568 en 1573 de beroemde ‘Biblia Polyglotta’ of ‘Biblia Regia’. In een van de huizen, het huis ‘Daalder, beschikt Plantijns schoonzoon Franciscus Raphelengius over een kamer van nauwelijks 3,5 m breed en 4,5 m lang. Hierin werkt, eet en slaapt het hele gezin.

 

Vrijdagmarkt

  • Periode 1576-1876: het complex van de Officina Plantiniana aan de Vrijdagmarkt
     
  • 1576: Plantin vestigt zich in een pand met ingang langs de Hoogstraat, dat hij herdoopt tot ‘De Gulden Passer’. Deze vestiging is groot genoeg om er zestien drukpersen te installeren en om er comfortabel te wonen. Het terrein beschikt ook over een grote tuin. Door de Spaanse Furievermindert de drukkersbedrijvigheid: in januari 1577 heeft Plantin nog maar drie persen in werking.
     
  • 1579: Plantin wordt eigenaar van een woonhuis met de ingang aan de Vrijdagmarkt. Hij beschikt over een grote tuin achterin en een koetshuis dat uitgeeft op de Heilige Geeststraat. In de achterhoek van zijn tuin en grenzend aan de rui richt hij naast zijn woning zijn nieuwe drukkersatelier op. In 1578 en 1579 heeft Plantin weer vijf of zes persen in werking.
     
  • 1579-1580: Plantin begint met de oprichting van drie woningen en het ombouwen van het oude koetshuis tot een vierde woning, alle gelegen langs de Heilige Geeststraat. Hij noemt ze respectievelijk ‘De Zilveren Passer’, ‘De Koperen Passer’, ‘De IJzeren Passer’ en ‘De Houten Passer’. De woningen worden gedeeltelijk als opbrengsthuizen verhuurd. Ondertussen draait de drukkerij weer beter: in 1580 werken er opnieuw zeven persen, in 1581 acht.
     
  • Na 1580: kort nadat hij de toelating krijgt om de naastliggende rui te overwelven, bouwt Plantin ook langs de Vrijdagmarkt nog een woonhuis.
     
  • 1582-1583: het Beleg van Antwerpen is in zicht en in de jonge universiteitsstad Leiden bestaat een dringende behoefte aan een degelijk uitgeruste drukkerij. Plantin koopt er in 1582 een grote woning. Eind april 1583 emigreert hij met zijn echtgenote en meerdere van zijn werknemers naar het nieuwe filiaal. Daar wordt hij op 12 mei officieel academiedrukker. Zijn schoonzonen Jan I Moretus en Franciscus Raphelengius blijven in Antwerpen het moederbedrijf uitbaten.
     
  • 1585: na de capitulatie van Antwerpen op 17 augustus keert Plantin onmiddellijk naar Antwerpen terug om er de voornaamste drukker-uitgever van de contrareformatie te worden.
     
  • 1589: na het overlijden van Plantin zet Jan I Moretus, sinds 1570 de echtgenoot van Martina Plantin, het bedrijf in Antwerpen voort. Plantijns oudste dochter Margaretha is met haar echtgenote Raphelengius in 1586 uitgeweken naar Leiden en erft er de drukkerij. De andere dochters Catharina, Magdalena en Henrica erven elk een passerhuis: De IJzeren, Houten en Zilveren Passer.
     
  • 1620-1640: onder Balthasar I Moretus krijgt de Officina Plantiniana in de jaren 1621-1622 en 1637-1639 haar huidige vorm. Het gebouw wordt vergroot: de verdieping boven de drukkerij komt tot stand, de oostelijke vleugel en de correctorenkamer worden toegevoegd. De binnenplaats krijgt haar huidige uitzicht en het interieur wordt verfraaid. Een onderdeel daarvan is de inrichting van de grote bibliotheek met bijhorende kapel.
     
  • 1620: nadat Jan I Moretus in 1608 ‘De Houten Passer’ had verworven, komt ook Balthasar I Moretus weer in het bezit van ‘De IJzeren passer’. Hij koopt in 1620 ook de woning naast ‘De Houten Passer’ in de Heilige Geeststraat, ‘Het  Vosken’. Hij verbergt de achtergevels langs de Heilige Geeststraat achter een Toscaanse galerij.
     
  • 1635: Balthasar I Moretus wordt eigenaar van het huis ‘De Bonte Huyt<’ in de Hoogstraat. Het achterste deel hiervan grenst aan de binnenkoer en hij verbindt de Toscaanse galerij in L-vorm ook met dit gebouw.
     
  • 1639: Balthasar I Moretus brengt de boekwinkel, tot dan toe gevestigd in de Kammenstraat, onder in ‘De Gulden Passer’ aan de Vrijdagmarkt. De winkel werd geïnstalleerd in de westvleugel, waar nu de proeflezerskamer is, los van de drukkerij. Klanten bereikten hem via de binnenplaats.
     
  • Omstreeks 1700 verhuisde de boekwinkel naar de huidige ruimte aan de Heilige Geeststraat. Potentiële kopers hoefden dan niet langer op de binnenplaats te komen, wat tegemoetkwam aan de grotere privacy-eisen die de intussen adellijke Moretussen stelden.
     
  • 1761-1763: Franciscus Joannes Moretus laat de middeleeuwse geveltjes afbreken van de nog bestaande zeven kleine huisjes, gelegen naast de inkompoort aan de Vrijdagmarkt. In de plaats daarvan laat hij een nieuw voorgebouw optrekken, die een kamer diep is. De gebouwen worden onderling verbonden zodat er ook een eenheid tot stand komt met de 17de-eeuwse vleugels rond de binnenkoer. De dakconstructie over beide delen wordt aangepast en aan de voorzijde lichtjes verhoogd.

  • 1798: de familie Moretus kan opnieuw ‘De Coperen Passer’ aankopen.
     
  • 1819: als laatste schakel verwerft de familie Moretus opnieuw het door Plantijn gebouwde maar ondertussen verkochte huis ‘De Zilveren Passer’.

 

Evolutie vanaf 1876

  • Periode 1876-nu: het Museum Plantin-Moretus.
     
  • 1876-1877: Het geheel wordt door jonkheer Edward Moretus verkocht op 20 april 1876 voor de inrichting van een museum. De koper is de Stad Antwerpen met tussenkomst van de Belgische Staat. Het Museum Plantin-Moretus wordt na aanpassingswerken op 19 augustus 1877 voor het publiek geopend.
     
  • 1936-1939: in het verlengde van de voorgevel aan de Vrijdagmarkt wordt op de hoek van de Heilige Geeststraat een nieuw breed huis opgetrokken in neoclassicistische stijl. Beide gebouwen worden intern met elkaar verbonden. Dit hoekpand op drie niveaus wordt ingehuldigd op 11 maart 1939 als het Stedelijk Prentenkabinet. Het herbergt vandaag de expozaal van het museum, de depots van het Prentenkabinet en de leeszaal met vakbibliotheek over de grafische collecties.
     
  • 1940-1945: tijdens de Tweede Wereldoorlog worden de bibliotheek, de hele inboedel en alle waardevolle stukken in een gigantische reeks kisten verpakt. Eerst worden ze opgeslagen in het kasteel van Lavaux-Sainte-Anne in de provincie Namen. Daarna, kort voor het Ardennenoffensief, in de kelders van de Nationale Bank in Brussel.
     
  • 1945: op 2 januari vernielt de inslag van een V2-bom alle huizen aan de Vrijdagmarkt. Het hele museumcomplex aan de Vrijdagmarkt ontsnapt op het nippertje aan gehele vernieling. De oostvleugel van het museum raakt erg beschadigd, maar restauratie is nog mogelijk.
     
  • 1947-1951: de restauratiewerken worden in opdracht van de Stad Antwerpen aangevat. Op 28 juli 1951 kan het gerestaureerde complex met een hernieuwde en permanente  presentatie worden heropend voor het publiek.
     
  • 1951: in het museum wordt een hoger instituut voor grafische kunsten opgericht: de vzw Plantin Genootschap. Het Genootschap verbetert binnen de context van het museum de grafische kennis in het algemeen en de typografische kwaliteit van het Vlaamse boek. Het richt een lessencyclus in met steun van de grafische bedrijfssector.
     
  • 1980: het hoekhuis tussen de Vrijdagmarkt, het Vrijdagmarktstraatje en de Steenhouwersvest, dat nagenoeg compleet werd verwoest in 1945, wordt in opdracht van de Stad Antwerpen vervangen door een nieuwbouw met bedrijfsruimten. Het gebouw wordt opgetrokken op de nog behouden oude 16de eeuwse kelders.
     
  • 1990: de vroegere portierswoning in pand nummer 8 aan de Heilige Geeststraat wordt aangekocht. Het wordt een depotruimte voor de stock van de museumwinkel en het tentoonstellingsmateriaal. Het herbergt ook een deel van het moderne museumarchief. In 1995 wordt een deel van het gelijkvloers voor het publiek ingericht.
     
  • 1992-1993: in het kader van ‘Antwerpen, Culturele Hoofdstad van Europa 1993’ wordt de binnenplaats opnieuw aangeplant met planten en kruiden die al omstreeks 1600 werden gecultiveerd. De bedoeling ervan is de eenheid tussen het gebouwenpatrimonium en de tuinaanleg zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.
     
  • 1997-1998: de grote zolder in de Vrijdagmarktvleugel wordt verbouwd tot auditorium. Dit Christoffel Plantinauditorium wordt op 4 juni 1998 plechtig ingehuldigd. Het omvat een les- en vergaderruimte, bibliotheekinfrastructuur en een secretariaat. Vanaf dan worden er elke zaterdag cursussen gedoceerd, ingericht door het Plantin Genootschap.
     
  • 1999: de onthaalruimte wordt heringericht. Achteraan komt een vestiaire met sanitair. Het oorspronkelijke meubilair wordt overgebracht naar de eerste verdieping. Daar wordt in 1999-2000 een nieuwe verbindingsgang in gebruik genomen tussen de 18de eeuwse vleugel aan de Vrijdagmarkt en de 17de eeuwse bibliotheek van de zuidvleugel.
     
  • 2000-2002: de gevels van de historische binnenplaatsen worden gerestaureerd. Op de eerste verdieping van de oostvleugel wordt in de muur van de conservatorkamer het raam weer opengemaakt. Dat was rond 1876 dichtgemetseld. Deze kamer in Vlaamse renaissancestijl wordt als bureau door de directeur-conservator betrokken in juli 2001.
     
  • 2002: een ‘educatief huisje’ voor de organisatie van workshops wordt ingericht in een  achterhuis uit 1876-1877. Dit was in neorenaissancestijl opgericht op een kavel langs de Hoogstraat.
     
  • 2002: het tot dan braakliggend terrein boven de rui wordt benut voor de creatie van een tweede binnentuin< naast de onthaalruimte. In de loop van de 19de eeuw werd de oude rui, die in de aanvangsfase naast Plantijns drukkerij voorbijstroomde, overwelfd. Het ontwerp van de tuin werd uitgewerkt door het vermaarde Belgische tuinearchitectbureau Wirtz.
  • 2002: de 18de eeuwse eetkamer in het trappenhuis wordt in haar oorspronkelijke staat hersteld. Hiervoor worden de gerestaureerde 18de-eeuwse wandschilderijen met scènes uit het landelijk leven van de hand van Theodoor De Bruyn opnieuw aangebracht.
     
  • 2002: het Salon Emile Verhaeren-René Vandevoir wordt ingehuldigd. Het is een lokaal in de 18de eeuwse voorbouw op de eerste verdieping.

 

Museum Plantin-Moretus
Unesco werelderfgoed

Meld je aan voor onze nieuwsbrief